Credo…
Psalm 139 vers 13: “Want U heeft mijn nieren geschapen, mij in de schoot van mijn moeder geweven.”
Zal ik me eens wat nader voorstellen? Vanaf het eerste begin dan maar, misschien volgt er later nog eens wat meer, dan kom je meer van mijn roots te weten.
Het jaar 1953 was waarschijnlijk net begonnen, toen God zoiets zei als in het scheppingsverhaal: “Laten Wij een mens maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.” Twee mensen werden één in liefde, door God gegeven. God koos juist die éne eicel: 0,135 millimeter klein en precies die specifieke zaadcel van 0,05 millimeter en liet ze samensmelten. In dat minuscule vormeloze begin lag alles al vast: het karakter, het uiterlijk, de kleur van de ogen, zelfs de unieke vingerafdruk, kortom het mens dat God voor ogen had, en dat was ik! God heeft mij in de schoot van mijn moeder geweven, een uniek mens, door God gewild, door mijn ouders in liefde ontvangen.
Op vijf oktober 1953, de dag dat ik om tien voor twaalf ’s nachts ter wereld kwam, was het bewolkt en droog. De thermometer gaf elf graden aan en er stond een noordwestenwind, kracht drie. Het was maandag: de was droogde lekker en Ma heeft die nog weggestreken. Al die inspanningen hebben de weeën vast in gang gezet. Als ik goed gerekend heb, ben ik ongeveer een uur voor hoogwater, dus met opkomend tij geboren, zoals het volgens de bakerpraatjes hoort.
Toen Pa dokter van Es ging halen, was hij nog op, want hij verwachtte mij al. Toch zat hij er ook een beetje naast, want hij dacht niet dat ik nog voor twaalf uur zou komen. Dokter van Es zat er vaker naast: hij was niet vies van een borreltje en er werd verteld dat hij ooit in kennelijke staat een injectienaald in een bedsteeplank gestoken had. Ik zag het eerste levenslicht, bijgelicht door een vierentwintigvolts gloeilampje, ik vermoed een looplamp aan de patrijspoort opgehangen, in de bedstee van de tjalk Zeelandia, toen 112 ton, in de ‘ouwe kooie’, de oude haven van Sint Annaland. Ik ben dus letterlijk op het water geboren en getogen. Ik was de derde telg na mijn twee zussen Cora en Els en ik ben de jongste gebleven. Er bestond nog geen hielprik, maar er was al wel enige nazorg: toen ik een paar dagen oud was onderzocht dokter van Es mij preventief. Toen hij daarmee bezig was, plaste ik over zijn hand: hij veegde die aan zijn broek af en vervolgde onverstoorbaar zijn werk.
Op 28 maart 1954 ben ik gedoopt door dominee Slok in de Augustijnenkerk te Dordrecht. Hij heeft zelf op de doopkaart geschreven: ‘F. Slok V.D.M.’, dat is Verbi Domini minister: bedienaar van Gods Woord. Die gebeurtenis vind ik eigenlijk net zo belangrijk als de eerste. God heeft toen een belofte gedaan. Die heeft Hij waargemaakt, tot op de dag van vandaag en dat zal Hij ook blijven doen. Mijn ouders hebben toen met de doopvragen ingestemd. Ze hebben daar beiden op hun eigen wijze invulling aan gegeven. Ik wil het als volgt samenvatten: Ma vooral met woorden, Pa meer met de praktische invulling. Zodoende ben ik nooit tot het geloof gekómen: zolang ik me kan herinneren, wás God in mijn leven. Ik denk weer aan het Bijbelboek Genesis: “En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht.”
Zo zag ik het eerste levenslicht, niet alleen door dat gloeipeertje. Zo was God vanaf mijn prille begin in mijn leven: heel vanzelfsprekend, heel natuurlijk, eigenlijk heel gewoon. Of… nee, heel bijzonder!
Lees nu Psalm 139 en denk nu voor één keertje alleen aan jezelf.
Je kunt daarna ook de naam van iemand anders invullen die het hard nodig heeft.