Geest-drift

Mijn naaste…

 

Zondag lazen we de volgende Bijbeltekst uit Kolossenzen 3 vers 12 en 13: “Bekleed u dan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, met innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld. Verdraag elkaar en vergeef de een de ander, als iemand tegen iemand anders een klacht heeft; zoals ook Christus u vergeven heeft, zo moet ook u doen. En doe boven dit alles de liefde aan, die de band van de volmaaktheid is”
Als iemand op maandag vraagt wat ik van de preek vond, dan schrik ik soms: waar ging het over? Soms bedenk ik mijn eigen preek bij de tekst en die komt ook van de Heilige Geest!
Je kent natuurlijk het bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan, zo niet: ga je eerst schamen en lees daarna Lukas 10 vanaf vers 25! De gelovigen drukten hun snor en slopen met opgetrokken neus aan de overkant voorbij. De underdog, die Samaritaan, deed zijn plicht: een smeuïg verhaal, waarbij we lekker kunnen wijzen naar schuldigen. Maar wat doen wij? Zijn wij een haar beter? En: wie is toch mijn naaste?
Ik wil het nu eens over die Wetgeleerde hebben, je kan hem vergelijken met een advocaat: hij leest de kleine lettertjes en zoekt de mazen in de wet: hoever kan ik gaan, wat mag net wel en wat net niet? Kan ik Jezus klemzetten met de vraag: wie is mijn naaste?
Laten we het woordje ‘naaste’ eens nader beschouwen: naaste is overtreffende trap. Je hebt drie trappen van vergelijking: stellende trap, vergrotende trap en overtreffende trap, bijvoorbeeld: groot, groter, grootst, in dit geval: ‘na’ in de betekenis van nabij, dichtbij. De vergrotende trap: ‘nader’. Tenslotte de overtreffende trap: ‘naaste’. Wie is mijn naaste? Dus degene die het dichtstbij me staat, de overtreffende trap! Dit gaat over enkelvoud, van de overtreffende trap, neem het voorbeeld ‘grootste’, die is er maar één, er kan er maar één de grootste zijn. Vul voor jezelf eens in wie je naaste in enkelvoud is, dus jouw meest nabije.
Na deze tekst kunnen we geen handjeklap met Jezus beginnen: “Wie is mijn naaste?” We mogen niet de grenzen aftasten om te onderhandelen wie onze naaste is, zowel enkelvoud als meervoud, want elke sterveling is onze naaste! Let wel: je meest nabije, je meest geliefde, of misschien, het komt echt voor: je meest gehate…
Zoek je naaste enkelvoud dus eerst héél dichtbij. Misschien is er sprake van sleur, misschien zijn er gedachten en gewoonten vastgeroest en moeten we de relatie met onze naaste eens onder de loep nemen. Misschien nemen we te veel over onze naaste als vanzelfsprekend aan. Lees die verzen uit Kolossenzen hierboven nog eens terwijl je aan je naaste denkt en vergeet niet: je naaste is dichterbij dan je denkt, of misschien juist het tegenovergestelde: je naaste is verder weg dan je denkt! Daarom moeten we bij die naaste vragen naar, aftasten hoe, verdiepen in, belangstelling voor… Maar het gaat ook om meervoud: de hongerige of verdrukte naaste, heel ver weg. Daarnaast is er natuurlijk de relatie met onze Naaste met een hoofdletter. Nee, zo mag ik dat niet zeggen: onze God is de Allerhoogste, overtreffende trap! We lazen volgens ons Bijbels dagboekje in Openbaring 13 over zeshonderdzesenzestig: de duivel. Hij lacht in zijn vuistje als wij gezapig indutten en denken dat we het allemaal wel goed voor elkaar hebben.
Met alle naasten die ik aangedragen heb en jij misschien zelf erbij bedacht hebt, moet je hierna eens de beroemde 1 Kor. 13 lezen…
Ik besluit met het laatste vers uit dit hoofdstuk: “En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.”
En onthoud nu eens: liefde is een werkwoord!