Moe…
Exodus 16 vers 2: “En heel de gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn.” En vers 4: “Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde hoeveelheid verzamelen…”
Er was ooit een man in mijn geboortedorp, ik weet niet meer hoe hij heette, ik weet alleen nog een leuke anekdote over hem: als hij ’s avonds visite had, zei hij rond tien uur steevast: “Zo, ‘k bin ’t moei.” Dan stond hij op en ging naar bed, de gasten onthutst achterlatend. Ik dacht aan hem toen ik vanochtend de krant doornam, ‘ons bin ’t ôôk moei’: wij zijn corona-moe, regeltjes-moe en beperkte vrijheid-moe. Het heeft allemaal veel te lang geduurd, wij Nederlanders gaan morren, er moet nu maar eens een einde aan komen! De overheid doet te weinig, het vaccineren schiet niet op: ontevredenheid! We zijn het moe!
Niets menselijks is ons vreemd: God had de zeven plagen over de Egyptenaren laten komen en de Israëlieten op wonderbaarlijke wijze door de Schelfzee laten ontsnappen. Een week of zes later begon Zijn volk al te morren: we hebben geen eten! Waren we maar in Egypte gebleven! Ze waren het moe! God gelukkig niet: ze mochten per dag de benodigde hoeveelheid verzamelen. Dit wijst naar Mattheüs 6 vers 34: ‘Wees dan niet bezorgd over de dag van morgen…” Lees, als je het niet meer ziet zitten, misschien wel door de coronatoestanden, straks eens Mattheüs 6 vers 25-34. Wat een troost! En vertrouw daar nu eens op!
Wij Nederlanders zijn een eigenwijs volkje. We denken dat we recht hebben op vrijheid en recht hebben op gezondheid: als de dokter niet snel genoeg met een oplossing komt, wordt het hem ingepeperd: “Los het nu maar eens op!” Als iemand sterft, wordt de behandelend arts soms ter verantwoording geroepen: “Je hebt gefaald, dit had niet mogen gebeuren!”
Oei, wat zijn we fout bezig, want we hebben helemaal geen rechten! In Psalm 51 vers 7 lees ik: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Ik kwam hierop omdat het net zo in het doopformulier staat: “In de eerste plaats zijn wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren.” Je zou het niet zeggen als je zo’n pasgeboren wurm ziet, maar de woorden zijn gebaseerd op die tekst uit Psalm 51: niks: “Ik heb recht op…” We hebben nergens recht op! We moeten nodig een toontje lager zingen!
We kunnen één ding verkrijgen, als we onze zonden belijden en om vergeving vragen. In Romeinen 3 vers 23 en 24 staat het expliciet: “Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” Dat is onze redding: genade, door Jezus Christus! Hoe vaak moet ik het nog zeggen? God sprak tot Paulus: “Mijn genade is u genoeg.” Leren we het nooit?
Vanwege de coronamaatregels mocht ik zondagochtend met een kerkgenote via internet voor de hele gemeente biddend het ‘Agnus Dei’ zingen. Het melodietje is simpel maar pakkend en gonst nog steeds in mijn hoofd:
“Lam van God, Lam van God,
Dat de zonde der wereld draagt.
Heer, ontferm U, Heer, ontferm U
Heer, ontferm U over ons.”
Laten we ons klein maken
en dit in alle nederigheid bidden,
voordat God óns moe wordt.