Geest-drift

Kopje onder…

 

2 Sam 22 vers 17: “Hij stak Zijn hand uit van omhoog, Hij greep mij, Hij trok mij op uit grote wateren.”
Zoals je wel weet, ben ik óp het water geboren en getogen. Twee keer ging ik kopje ónder, dat kon op zo’n scheepje niet uitblijven. De eerste keer viel ik op drie oktober 1958, twee dagen voor mijn vijfde verjaardag, in het inktzwarte water van de Belgische Leie. Ik weet precies de datum, want toen ik een beetje van de schrik bekomen was, sprak ik de gedenkwaardige woorden: “Nu ga ik nooit meer naar buiten voordat ik vijf ben!” Ik hoor nog het water borrelen. Ik zie nog het door water vertekende beeld van mijn vader op me afkomen toen hij me nasprong, dat beeld raak ik nooit meer kwijt. Nee, het is geen nare herinnering want mijn vader redde mij, logisch toch? Verder dacht ik toen nog niet.
De tweede keer plonsde ik in de Mark, bij een plaatsje dat wij Hazeldonk noemden. Het is nu industrieterrein Zwartenberg onder Zevenbergen. Ik was inmiddels een paar jaar ouder en ik besefte heel goed wat er had kunnen gebeuren! Ze namen het me wel een beetje kwalijk: ik deed niets om boven water te komen, ik stak alleen maar hulpeloos mijn armen omhoog!
In het dagelijks leven ben ik ook een paar keer kopje ondergegaan. Toen was mijn vader er niet om me na te springen. Achteraf bezien was mijn Vader met een hoofdletter er wel, maar dat zie je niet ineens. Ik zag niet Zijn beeld op me afkomen door het troebele water. God laat je weleens een poosje spartelen. Dan steek je je armen hulpeloos omhoog en schreeuw je om hulp! En dan ís God er wel, maar Hij laat het niet ineens merken. Waarom? Tja, dat is vaak niet duidelijk. En dan heb je het écht benauwd en vrees je écht voor je leven. God kneedt en vormt ons als liefdevolle Pottenbakker: Jesaja 64 vers acht. Mooi gezegd, maar dat is wel moeilijk, heel moeilijk! Achteraf… tja, dan is het gemakkelijk maar als je er middenin zit!
Voordat ik leerde zwemmen had ik echt watervrees: ze kregen me met geen stok en zes dienders het water in. Dat was ook eigenlijk geen wonder: je moest met een zwemvest aan met een touw om je middel, naast het schip een laddertje af, zo dat koude, donkere diepe water in. Mijn twee onbedoelde valpartijen waren daar misschien ook debet aan. Toen ik tien jaar oud was, moest ik van school naar zwemles. Ik bibberde van angst. Ze waren in die tijd nog niet zo flauw: de badmeester gaf twee potige klasgenoten opdracht om mij het water in te trekken. Het was eigenlijk niet nodig: ik had meteen door dat ik de bodem zag én onder mijn voeten voelde: ik had de vaste grond gevonden.
In het échte leven gaat dat niet altijd zo vlug. Sommigen hebben jaren of zelfs een heel mensenleven nodig om te ontdekken dat je een vaste bodem onder je voeten hebt: onze Hemelse Vader, die altijd voor ons klaarstaat!
Lukas 8 vers 23-25: “Toen zij voeren, viel Hij in slaap. En er viel een stormwind neer op het meer, en hun schip liep vol water en zij waren in nood. Zij gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan!” Hoor ik een verwijt aan Jezus, omdat Hij sliep?
“Toen stond Hij op en bestrafte de wind en de golven. En ze gingen liggen en er kwam stilte. Hij zei tegen hen: Waar is uw geloof?” Het klinkt alsof Jezus het hen kwalijk nam: “Waar was je geloof, wanneer leer je nou eens dat Ik er voor je ben?”
Nee, ik leer het nooit, soms ben ik bang, soms ben ik opstandig: waar ís God nu?

Soms verlang ik terug naar dat kind van vier:
mijn Vader redt mij, logisch toch?
Mijn God, leer mij vertrouwen,
als een kind…