Geest-drift

Eeuwig…

 

Prediker 3 vers 1a: “Voor alles is er een vastgestelde tijd…” En vers 11a: “Hij heeft alles op zijn tijd mooi gemaakt. Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd…”
Het was nog geen zes uur. Een jochie van een jaar of vijf zat op zijn knieën op het achterdek. Zijn ellebogen op de drempel van de ingang van de machinekamer, zijn handen onder zijn kin. Beneden was zijn vader doende om de oude Kromhout motor te starten. Dat jochie had het al vele malen gezien en wist precies hoe het moest: een minuut of acht warm stoken met een gasvlam. Intussen de lagers en de zuiger smeren, door minstens 20 slagen aan het slingertje van de smeeroliepomp te draaien, smeerolie bijvullen en de motor ‘op stand tornen.’ Tijdens het ‘op gang gooien’ van de motor was hij nooit beneden. Wel als de motor stilgezet werd. Dat mocht hij doen: hij stond dan op één voet te wiebelen, met zijn andere voet op een hendeltje vlak naast dat grote draaiende vliegwiel, tot de ouwe kar uit gehobbeld was. Gevaarlijk? Dat lijkt me wel, maar dat werd je met de paplepel ingegoten.
Dat jochie was ík dus.
De dag was trouwens al eerder begonnen: halfzes. Pa had het restant koffie van gisteravond in de melkkoker gegoten, er een scheut gesteriliseerde melk bijgedaan en dat brouwsel opgewarmd. Als het warm was ging het in de kopjes, in de mijne een extra scheutje koude melk. We dronken dit samen genoeglijk op en ik kan me niet herinneren dat ik het vies vond.
Ik was dus vijf, Pa al 37. In het jaar 2000 zou ik 47 worden, bedacht ik toen al, verder ging mijn horizon nog niet. Nóg veel later ging je dood, maar dan was je al héél oud, net zo oud als opa en doodgaan was niet erg, want dan ging je naar de hemel, naar de Heere God!
Als de motor warm genoeg was draaide Pa de luchtkraan open: TSSS… BAF bof, bof, bof, bof, bof, bof… De gaskraan ging dicht en ik trok me terug, want Pa kwam het trapje op, de machinekamer uit, gooide de meertouwen los, duwde af en dan de stuurhut in: volaan vooruit!
Praatten we tijdens al die bezigheden? Dat denk ik niet. De rituelen verliepen zoals het altijd ging, wat moest je daarover zeggen? Het samenzijn was goed, maar dat had ik pas veel later door. Een kind beseft niet of zijn leven bijzonder is, alle gewoontes zijn vanzelfsprekend. Ik snapte het niet eens toen ik ‘aan de wal ging‘ om naar school te gaan. Ik moet het weer eens schrijven: sámenzijn was samen zíjn, alleen een amputatie!
Pa was een introverte man. Hij heeft voor zover ik weet twee keer gehuild, die ene keer was toen ik van boord ging om naar school te gaan, maar dat liet hij niet merken, hoor! Ik zat die ochtend om vijf uur op de wc met hevige diarree. Ma en ik vertrokken van ’s Gravendeel: met de veerpont naar Wieldrecht, dan met de bus naar Dordt. De directeur zei: “Neem dat ventje nog maar mee, dat wordt vandaag nog niets.” Ik bibberde van de zenuwen.
Nu ben ik 72! Zo oud is mijn vader nooit geworden en mijn opa’s ook niet!
Soms verlang ik naar dat ventje van vijf voor die machinekamer.
Maar… dan zou ik álles over moeten doen, van toen tot nu?
Dat kán ik niet, dat wíl ik niet!
Maar ’t was zo góed: het sámenzijn was samen zíjn!
Dan toch maar… die eeuwigheid…
Maar als het mag, mijn goede God,
nu nog maar even niet…