Geest-drift

Ik ben…

 

Exodus 3 vers 14: “En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.”
Mijn naam is Aad en ik ben… pensionado. Dat is dus helemaal niets meer: ik leef op de wintervoorraad die ik in tientallen jaren opgebouwd heb en ben nu alleen maar aan het niksen. Nee, schreef ik ooit, je bent níet wat je dóet, maar wie je voor God bént! Ik ben Aad en God houdt van mij! Je bent dus géén beroep! Je bent ook geen villa, of een flatje, geen Mercedes, of een lelijk eendje! Status is gebakken lucht, je hebt er niets aan en het kan smelten als sneeuw voor de zon! …Prediker zegt: ”Een en al vluchtigheid, alles is vluchtig.”
Ik denk ineens aan mijn moeder. Toen ze nog een paspoort had stond erin: ‘beroep: geen.’ Dan was mijn moeder dus ook helemaal niets… hier kom ik tegen in opstand! Zij betekende veel voor mij en voor anderen, en… voor God: “Zie, Ik heb u in beide handpalmen gegraveerd.”
Toch kan het wel: je bént wat je dóet. Op een door ons georganiseerde vriendendag heb ik twee prachtige mensen wat beter leren kennen die het waarmaken: “Mijn naam is Cok en ik ben… imker”, “Mijn naam is Fred en ik ben… imker.” Zij dóen het niet alleen, zij zíjn het ook!
Als Fred ’s morgens wakker wordt, kijkt hij eerst naar buiten: hoe is het weer voor de bijen? Gaan ze naar buiten of is het te koud? Als hij een week op vakantie moet, is het daarvóór hard werken, anders kan hij zijn bijen niet alleen laten.
Cok hangt altijd rond in zijn ‘paradijssie’ vlak achter zijn huis: een flink stuk niemandsland met gras, bomen, allerlei struiken, aardappels, groenten en andere eetwaren, een paar kassen, én dus: bijen. Dit alles, wonder boven wonder, binnen de gemeentegrenzen van Alblasserdam. Cok en Fred werken daar met zo’n toewijding, daar word je stil en verwonderd van…
Nu die bijen: ze leven in ‘volken’ van tienduizenden insecten, het is héél georganiseerd en elk dier heeft een taak. Je hebt werksters, die houden de boel schoon, verzorgen en voeden de larven en de koningin. Er zijn portiers, die bewaken de ingang. Er zijn verkenners, die vliegen naar buiten, cirkelen eerst rond om de omgeving in hun geheugen te prenten, anders vinden ze de weg niet meer terug, en dan gaan ze bloemen met nectar zoeken. Als ze die gevonden hebben ,keren ze terug en dan leggen ze, jawel: met een dans aan de ‘halers’ uit waar ze die nectar gevonden hebben. Die halers gaan de nectar halen en brengen het naar de werksters.
Er is géén baas en tóch doet iedereen wat hij moet doen. Wat kunnen wij daar veel van leren!
Ik erger me altijd aan verkeersdrempels. Als ik eroverheen hobbel, denk ik: waarom spreken we niet gewoon af dat we geen van allen te hard rijden, dan kunnen ze die ondingen opruimen! Nee dus: bijen kunnen het wél, maar wíj kunnen die vrijheid níet aan!
Er staat niets over bijen in de Bijbel, wel over mieren: ook een plichtsgetrouw en nijver volkje. In Spreuken 6 vers 6 lees ik: “Ga naar de mier, luiaard, zie zijn wegen en word wijs.” En in vers 9: “Hoelang,  luiaard, blijft u liggen? Wanneer staat u op uit uw slaap?”
Over toewijding gesproken, ik ving zondagochtend in de kerk een paar kreten van de dominee op: “Toewijding, ik ben door God gewild, gered, geborgen.”
God is ‘IK BEN’, zei Hij tegen Mozes. God werkt niet om te leven, Hij werkt ook niet om Zijn status, God werkt om óns te láten leven en dat schept verplichtingen!
“IK BEN heeft mij naar u toe gezonden.”
“Hoelang, luiaard, blijft u liggen?
Wanneer staat u op uit uw slaap?”
Wij dóen het niet alleen, wij zíjn het gewoon!
Toch?