Pinksteren…
Romeinen 8 vers 26: “En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden te hulp, want wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.”
In de kaft van mijn Liedboek staat een aantekening: ”Psalm 69 vers 1, 4 en 5 (8-6-1994)". Ik zie het daardoor regelmatig. Zou je die Psalm nu op willen zoeken en lezen? De berijmde Psalm dus. Het gaat over een belevenis in de meest beroerde periode van mijn leven.
Ik liep ’s nachts in mijn eentje rond te spoken, ik wilde Sophie alleen haar nachtrust ontnemen als het écht niet anders kon, er moest toch íemand overeind blijven?
Bidden kon ik niet meer: redeloos, radeloos, reddeloos: angst! Ten einde raad greep ik mijn Liedboek. Het viel open bij de genoemde Psalm. Mijn gedachten, die ik absoluut niet meer kon ordenen, vonden houvast aan die aloude woorden van David. Ik las en herlas tot de woorden langzaam tot me door begonnen te dringen en na de zoveelste keer werd ik rustiger.
Je hebt de Bijbeltekst hierboven gelezen: de Geest Zelf pleitte voor mij in onuitsprekelijke verzuchtingen. Ik mocht het beleven, dat heeft Hij toen voor mij gedaan! Die Geest deed mij in paniek naar mijn Liedboek grijpen, als een reddingsboei in het inktzwarte zuigende water. Die Geest deed mijn Liedboek bij Psalm 69 openvallen en ik las. Die Geest liet mij de woorden inzuigen, die rust en orde brachten in mijn hoofd en die mij leerden: God is er tóch bij!
Ik kon daarna weer naar bed. Ik lag nog lang wakker met een lichtje aan, want slapen durfde ik nog niet. Ik kroop dicht tegen Sophie aan, dat gaf een extra beetje rust. Toch was ik al wat rustiger, omdat ik besefte dat God mij geholpen had. Eén ding heb ik toen tussen de twijfels door geleerd: God is er ook voor mij. God laat nooit los, wat Zijn hand begon. God laat míj nooit los! Dus Pinksteren één keer per jaar? Ben jij mal! Het kan élke dag Pinksteren zijn, en zelfs in de zwartste nacht!
Het is goed dat ik het zo nu en dan zie staan: o ja, Psalm 69, toen kwam God.
Ik denk aan Psalm 139: Vers 4-6: “Al is er nog geen woord op mijn tong, zie, HEERE, U weet het alles. U sluit mij in van achter en van voren, U legt Uw hand op mij. Dit kennen – het is mij te wonderlijk, te hoog, ik kan er niet bij.”
Ik zou eerst mijn column onder dit gedicht/lied van André Troost plaatsen, maar dit vind ik zó móói: na het lezen hiervan past alleen maar stilte.
Wanneer ik zoek naar woorden en niets dan stilte vind,
dan weet ik: Heer Gij hoorde één stem; uw eigen kind.
Uw adem wekt mijn leven, uw liefde kleurt mijn bloed:
mijn stilte is vergeven, mijn zwijgen keurt Gij goed.
Wanneer ik zoek naar zinnen en bid om een gebed,
niet weet hoe te beginnen, niet spreek, in stil verzet,
dan roep ik mij te binnen uw stem, o Christus - Gij,
Gij zult eens overwinnen die tegenstem in mij.
Wanneer ik zoek te zeggen al wat er in mij leeft,
maar zich niet uit laat leggen en zich niet open geeft,
dan ben ik al gevonden voordat ik U niet vind;
dan bidt met duizend monden de Geest, vol vuur en wind.