Geest-drift

Een fontein…

 

Johannes 4 vers 14 (Statenvertaling): "Maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, die zal in eeuwigheid niet meer dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, dat springt tot in het eeuwige leven." 
Onze voorburen in de kerk waren vorige week naar de Fonteinkerk in Krimpen aan de IJssel geweest vanwege een doopdienst. We dachten dat het woord ‘fontein’ wel vaak in de Bijbel stond: in de betekenis van de Heilige Geest en zo. Ik moest ver zoeken, je ziet in de HSV en de NBG vaker het woordje Bron of bron in plaats van fontein.
Die fontein sprak ons wel aan: de Heilige Geest, Die niet te stuiten is en omhoog blíjft spuiten, ondanks… noem maar op! En Wij? Wij moeten het Evangelie de lucht in spuiten als een fontein, toch? Ik kwam bij de Samaritaanse vrouw terecht: Geen schoolvoorbeeld van een nette en onberispelijke vrouw, maar daar stoort God zich niet aan, integendeel!
Johannes4 vers 28 en 29, nu in de HSV: “De (Samaritaanse) vrouw nu liet haar waterkruik staan en ging weg naar de stad en zei tegen de mensen: Kom, zie Iemand Die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb; zou Híj niet de Christus zijn?” Ja precies: die fontein!

Ik zag op de Belgische televisie eens een eerstehulppost in Gent, ik had het er eerder over. Er werd een oude pastoor binnengebracht die gevallen was: een klein innemend mannetje met humor: je hield meteen van hem. Hij cijferde zichzelf totaal weg, hij sprak: “Awel, ik ben maar een eenvoudig pestoorke, een ouw’ knechtje van Onze Lieven ‘Eer.” Hij droeg God op zijn tong en evangeliseerde onophoudelijk, op zo’n sympathieke en grappige wijze dat je wel móest geloven! De zuster kalefaterde hem wat op en hij zei: “Zusterke, ou uwen gemak maar wat, misschien zit Onz’ lieven Éer wel op mij te wachten, en dan doe gij dit alles voor niks!”
Hij spoot het evangelie uit als een ware fontein, zó prachtig, net als in de tekst hierboven. Hij had het geheel onbewust tot kunst verheven. Weet je, ik werd jaloers op dat oude pastoortje: dat wil ik óók, maar zó kan ik het niet!
We moeten over onze schaamte en aarzeling heen stappen. Wat zeg ik nu? Schaamte? We schamen ons toch niet voor onze God? Wij proberen smoezen te verzinnen: ze luisteren toch niet, of: het werkt misschien averechts, of: ik ben niet zo vrij, dat kán ik niet. Tóch doen hoor, dat zijn we aan God én onze naasten verplicht!
Ik dacht aan de roeping van Mozes. Hij had ook een smoes: praten was niet zijn sterkste kant. In Exodus 4 vers 11 en 12 lees ik: “Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van veel woorden. Dat ben ik sinds jaar en dag al niet. Maar de HEERE zei tegen hem: Wie heeft de mens een mond gegeven? Ben Ik het niet, de HEERE? Nu dan, ga, Ik zal Zelf met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet.”
Ik bedoel maar! We kennen allemaal het verhaal van de Exodus van het volk Israël, toch?
Hóe heeft God Mozes geholpen bij die moeilijke opdracht!
Dus vanaf nú: geen smoezen meer, maar je geloof uitdragen!
Weet je wat? We gaan een Exodus organiseren:
uit: deze boze wereld, naar: het beloofde land!
Kunnen wij dat? Durven wij dat? We móeten!
Ik ontdekte nog een knipoog van God: dit verhaal met de Samaritaanse vrouw speelde zich af bij Sichar, dat betekent: dronken. Nee, dat hoeft niet negatief te zijn. Het kan ook betekenen: dronken van geluk, of door de Heilige Geest!
Dus: doen!
Maar ík schrijf, dat mag ook, toch?