Geest-drift

Gave…


Romeinen 12 vers 6-8: “En nu hebben wij genadegaven, onderscheiden naar de genade die ons is gegeven: hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij dienstbetoon, in het dienen; hetzij wie onderwijst, in het onderwijzen; hetzij wie bemoedigt, in het bemoedigen; wie uitdeelt, in oprechtheid; wie leiding geeft, met inzet; wie zich over anderen ontfermt, met blijmoedigheid.”
“En nu hebben wij genadegaven…” Dit schreef Paulus aan… ons, dat zijn wij allemaal! Niemand uitgezonderd! Moet ik het nog dichterbij brengen? Wij… daar hoor jíj ook bij! Is het kwartje gevallen? Jíj hebt dus een genadegave! En die kreeg je niet voor niets!

Ik draai de boel een beetje om, ik ga nu naar vers 1, daar schrijft Paulus: “Ik roep u er dan toe op, broeders (en zusters), door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk...”

Nu ga ik de knuppel in jóuw hoenderhok gooien: Jezus zei in Mattheüs 7 vers 19: “Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.” Wij móeten dus wel iets met die gave doen, uit lijfsbehoud!
Nee, dit is niet goed: een discipel zijn van Jezus, met het mes op de keel, zo kan het niet bedoeld zijn, toch? Of… er schoot me een ander verhaal te  binnen:

Mattheüs 4 vers 21 en 22: “Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk Jacobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen. Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem."

Vader Zebedeüs zal raar opgekeken hebben: ze waren met z’n drieën de netten aan het repareren en gingen de daaropvolgende nacht waarschijnlijk vissen, het dagelijks ritme, al jaren lang. En dan… “…Hij riep hen. Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem.” Misschien riep Zebedeüs wel: “Hé, hallo, waren wij niet aan het werk? Moet ik vanavond soms in mijn eentje gaan vissen?”
Maar zo kan het gaan als Jezus je roept, dan is Hij onweerstaanbaar: je kán niet anders! Dus tóch net zo sterk als ‘met het mes op je keel’ maar dan vrijwillig, zelfs gráág: je kán niet anders omdat je niet anders wilt! Daarom ‘móet’ je wel.
Of… Paulus noemt een rijtje: de een zus, de ander zo. Hij is volgens mij één gave vergeten… het verzinnen van smoezen! Dat is niks voor míj, dat kán ik niet! Toch?

Ik denk eraan toen ik wijkouderling werd en een bezoekmedewerker zocht. Ik had er al een aantal gebeld en begon de moed te verliezen: sommigen riepen al voordat ik uitgepraat was: “Nee, dat is niks voor mij!” Toen belde ik Lambert, hij riep al voordat ik uitgesproken was: “Ja, van harte!” En het werkte: God was erbij, we hebben samen prachtige dingen beleefd!
Over dat ‘moeten’: ik heb weleens gedacht: ik hou op met bidden, het helpt toch niet. Ik hield het niet lang vol: God zette me het mes op de keel: ik móest, ik kón niet anders!

1 Johannes 4 vers 10 en 11: “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden. Geliefden, als God ons zo liefhad, moeten ook wij elkaar liefhebben.
Dus tóch met het mes op de keel…. Omdat ik niet anders kan!
Maar eh…als ik wél moet en niet dúrf?
Jesaja 41 vers 10: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u, wees niet verschrikt, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u…” AMEN!