Vakantie…
Psalm 121 vers 3 en 4: “Hij zal uw voet niet laten wankelen, uw Bewaarder zal niet sluimeren. Zie, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren of slapen.”
Wij gaan deze zomer niet op vakantie. Wij hadden er geen zin in. Je moet daar wel een plausibele reden voor hebben, anders word je niet voor vol aangezien. Dus nu de uitleg.
Het verhaal van het camperen ken je en wat moet je nou ánders? In een hotel heb je alleen een kamer met een bed, een stoel en een tv. Tijdens de maaltijden heb je geen privacy. Als ik met mijn vingers wil eten dan doe ik dat en wens ik geen afkeurende blikken van anderen, alleen van Sophie. Een busreis of een cruise? Dan moet je ’s morgens aan het ontbijt al vriendelijk converseren, brr! Als ik voor de koffie niks wil zeggen, dan zég ik niks! Basta!
In een huisje? Dan heb je alles, maar is het dus net als thuis. Je mist wel je hobby’s, boeken, gereedschap en zo. Je kunt niet álles meenemen. En als het dan regent, heb je niets te doen.
Trouwens, wij hadden ooit een oude wijze buurman, die zei: “In de vakantie kun je het beste overdag regen en ’s nachts kiespijn hebben, dan duurt de vakantie het langst.” Maar… dan kun je toch beter thuisblijven? Dan bel je gewoon even de tandarts: “Heeft u nog een gaatje…”
Eigenlijk is het ook wel raar: we liggen heel ons leven krom om onze felbegeerde woning af te betalen en zodra we meer dan een paar dagen vrij zijn weten we niet hoe snel we van huis en haard weg moeten vluchten! Wat ís dat toch, die onrust? Na een stuk of veertig vakanties hadden we eindelijk door dat het leukste van de vakantie is… het thuiskomen! Daarom hebben we besloten om gewoon thuis te blíjven! Dat scheelt een hoop gedoe!
We gaan zo nu en dan een dagje weg. Bijvoorbeeld naar Nieuwpoort: lekker aan de Lek in het gras onder een boom. Je kunt er rustig zitten en in de Lek zwemmen. Ik noteer wat scheepsnamen en zoek later thuis hun geschiedenis en technische gegevens na. ’s Avonds gaan we een patatje eten en dan tuffen we weer naar huis. Prachtig toch? Heel relaxed!
Weet je Wie er ook nooit op vakantie gaat? Oei, ik heb het al verklapt, want ik schreef Wie met een hoofdletter. Het staat in de Bijbeltekst hierboven: Hij zal niet sluimeren of slapen.
Moet jij wél op vakantie? Je ziet vast bergen, letterlijk, of misschien wel figuurlijk: er tegenop. Ja, ook Psalm 121: “Ik sla mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal.”
Ik heb een periode gehad, Goddank gehád, dat ik in de vakantie stiekem leed. Sophie wist het wel, hoor. Ik had soms angst in dat verre Frankrijk, maar je hebt ook verplichtingen aan je echtgenote en je kinderen. Toch kon ik er tussendoor ook van genieten, maar ik telde de nachtjes want die waren het moeilijkst. Dat hoefde ik mijn moeder niet te vertellen, ze wíst het gewoon. Op een keer gaf ze me vlak voor de vakantie een ansichtkaart met daarop:
“Veel in je leven mag je vergeten, maar één ding moet je altijd weten:
waar je ook immer wezen zal, God de HEERE is overal.”
Het ís zo, ik wéét het gewoon, want:
een paar jaar geleden zaten we samen ergens in een Frans kerkje,
zo maar even stil te luisteren.
In een kerk moet je áltijd luisteren, kijken, voelen, kortom: alert zijn, want je weet nóóit...
We hoorden een klik van een luidspreker, en toen Sela:
“Als alles donker is, ontsteek dan een lichtend vuur.” In een Frans kerkje!
We zaten als aan die kerkstoelen genageld!
Ja precies: zo’n stoeltje hebben we nu staan!
Dus: God gaat op vakantie…
méé!