Pijn…
1 Johannes 4 vers 10 en 11: “Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden. Geliefden, als God ons zo liefhad, moeten ook wij elkaar liefhebben.”
Ergens verscholen in de donkere krochten van een externe schijf, kwam ik een ‘Geest-drift’ tegen van 2010 of zoiets. Het sloeg in als een bom. Wij hebben onze zoon al tweeënhalf jaar niet meer gesproken of gezien. Ik heb zijn orgelspel niet meer gehoord, vandaar…
“God spreekt in alle talen…
Het is zaterdagochtend. Ik zit in de Sint Jacobskerk in Vlissingen. Erik, onze zoon zit boven achter het orgel. Hij speelt, ik luister. Op dat wederzijds genoegen trakteren wij elkaar zo nu en dan. Zonder publiek speelt hij net iets vrijer en weet hij me te raken als geen ander. Nee, fout: weet Híj me te raken. Dat weet ik nu al, daarom zit ik klaar met pen en papier.
Sint Jacobskerk. Als dit op ‘onze’ Jacob uit het Oude Testament slaat, dan klopt het niet. Jacob Izaäkszoon om het maar eens op z’n Hollands te zeggen, was verre van heilig. Toch was hij Gods oogappel, ondanks alles. Zo zijn ook wij Gods oogappel, ondanks alles.
De kerkvoogden die hier in 1953 de scepter zwaaiden waren ook verre van heilig. In deze kerk stond niet zo’n best orgel. Tijdens ‘de ramp’ stond het water hier twee meter hoog. Hoewel het orgel droog bleef, veinsde men dat het door het zoute water bedorven was en is er door een of ander rampenfonds een schitterend nieuw orgel geplaatst. Zoiets had Jacob ook kunnen bedenken. Ik word meteen weer eens op onze trouwtekst gewezen: “Welgelukzalig is hij, die de God van Jacob tot zijn hulp heeft.”
Ik hoor: “Ga niet alleen door ’t leven.” Juist ja, met Jacobs God. Nu trekt Erik alle registers open. Kijk, daar schiet ik nou van vol: Het is Gód, Die me door het orgel toeschreeuwt: ”Je bént niet alleen op de wereld, vergeet Mij niet, je naasten niet, je medestrijder(s) niet.” Waarom moet U me dat steeds zo hard toeschreeuwen? Leer ik het dan nooit?
Nu spreekt het orgel op ingetogen wijze: “Ruwe stormen mogen woeden, God mijn God zal mij behoeden.” Jacobs God, mijn God, jouw God. Ik ben eigenlijk een rotte appel, maar door het lijden en sterven van Jezus Zijn oogappel! Jij ook!
Het orgel zwelt weer aan, eerst onheilspellend, dan jubelend: “Door een nacht hoe zwart, hoe dicht, leidt Hij ons naar ’t eeuwig licht.”
Het jubelen wordt juichen in gezang 255: “Ere zij aan God de Vader, ere zij aan God de Zoon, eer de Heilige Geest, de Trooster, de Drie-enige in Zijn troon!” Nu davert het door de kerk, zodat het trilt in mijn lijf en vooral in mijn ziel: “Halleluja, halleluja, looft de Koning heel Zijn kerk!” Overweldigend! Niet Erik achter het orgel, maar God in mijn hart, maar ook mijn genen, mijn kind, zíjn emoties: míjn emoties.
Het slot wist ik al : Het klinkt deze keer lichtvoetig: “Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heeren hand.”
Ik hoor de klik van de hoofdschakelaar.
Het orgel zucht als de laatste lucht ontsnapt.
God spreekt in alle talen, ook in de muziek.”
“En nu blijven geloof, hoop en…”
pijn!
…