Geest-drift

Zingen…

 

Psalm 139 vers 9 en 10:  
“Nam ik vleugels van de dageraad, woonde ik aan het einde van de zee,
ook daar zou Uw hand mij leiden en Uw rechterhand mij vasthouden.”
Als we met het schip in België waren, gingen we nooit naar de kerk. België was Rooms en bovendien spreken ze in de helft van dat land Waals. Sommige schippers uit reformatorische kringen lazen dan zondags een preek van de ‘oude schrijvers’.
Ik heb wat gegoogeld over ‘oude schrijvers’. Zij waren de pioniers van de zeventiende en achttiende eeuw, die als eersten het Latijn en andere moeilijke geschriften vertaalden voor ‘het gewone volk’: leesbaar, begrijpelijk en praktisch.
Enkele ooms van mijn vader deden dat ook. Ik herinner me dat we eens samen met ome Jan en tante Pie bij Mariakerke, net voorbij Gent ‘zondag hielden’ en we ‘s morgens bij hen naar een preek gingen luisteren, gelezen door ome Jan, want dat was mannenwerk. Er hoorde een complete liturgie bij, ook met zingen. En hier ging het een beetje mis.
Ik moet eerst vertellen dat mijn vader totaal geen muzikaal benul had. Hij floot of neuriede nooit een melodietje, dat kón hij gewoon niet. In de kerk ‘zong’ hij alles op de toonhoogte van zijn normale spreekstem. Gelukkig niet hard, Anders had hij wel een paar kerkbanken meegesleurd in de afgrond van een kakofonie van verwarring. In feite was mijn vader de eerste rapper ter wereld, zij het dan vaak in hele noten.
We zongen in die roef dus met een man/vrouw/kind of vijf. Ome Jan was volgens mij ook geen muzikale virtuoos, dat zat toen blijkbaar niet in de genen van het geslacht van der Klooster, en tante Pie schoot nogal snel vol en bibberde tijdens het zingen vaak van emoties.
Er kwam nog een Zeeuwse eigenaardigheid om de hoek kijken: als Zeeuwen Hollands gaan spreken of zingen, vallen ze door de mand met de g en de h: in het Zeeuws is een h stom en een g wordt h. Mijn opoe Kommertje, ja echt een Zeeuwse naam, schreef ooit op een briefkaart: “Het valt allemaal niet mee, maar met Gods gulp komen we er wel.”
Ik was te jong om de humor van onze povere zangpoging in te zien, want Godsdienst was in mijn kinderhart, en trouwens nog steeds ,een serieuze zaak, maar God moet die zondagochtend vast om onze stuntelige zangkunst geglimlacht hebben. Mijn moeder had wel wat muzikale gaven en vond onze armzalige poging nogal gênant.
Toch hoort ook dit bij mijn opvoeding, mijn afkomst, mijn roots, mijn fundament, maar vooral de bemoeienis van God in míjn leven. Zondagmiddag lazen we in de kerk Psalm 139 en dat gáát daarover, zo kwam ik op dit oude verhaal. God begon met mij in de schoot van mijn moeder. Ik was door God gewenst en geschapen en Hij laat nóóit los wat Hij begon! Het zijn allemaal puzzelstukjes, bouwsteentjes die mij gevormd hebben. Het eindresultaat is nog niet af, denk ik: God stoomt mij klaar voor de eeuwigheid. Als het zover is, dan zal Hij mij roepen: kom maar, want alle dingen en ook jijzelf zijn gereed. Een mooi vooruitzicht, toch?
In Jesaja 64 vers 8 staat het: “Maar nu, HEERE, U bent onze Vader! Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen.”

Ik zocht een Bijbeltekst met ‘zingen’ en vond in Kolossenzen 3 vers 16:
“Laat het woord van Christus in rijke mate in u wonen, onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, in alle wijsheid en zing voor de Heere met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, met dank in uw hart.”
Amen!