Bekering…
1 Timotheüs 6 vers 12: “Strijd de goede strijd van het geloof. Grijp naar het eeuwige leven, waartoe u ook geroepen bent en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.”
Het kan wel 60 jaar geleden zijn: een neef van me, toen nog een kind, ging opgetogen met zijn pas verworven schaatsen naar de ijsbaan. Na een half uur kwam hij alweer thuis. Zijn moeder keek verbaasd: “Ben je nu al terug?” Hij antwoordde: “Ik ga wel schaatsen als ik het kan.”
Is er ook niet zoiets met ons geloof aan de hand? Denken we niet té gemakkelijk dat het wel goed ís, of dat het wel goed kómt? We willen behouden zíjn, maar willen we ook behouden wórden? Bovendien: behouden wórden gaat niet vanzelf, maar behouden zíjn óók niet!
Ik wil het eens hebben over ‘bekering’. Een ouderwets woord, (vroeger) een beladen woord. Nu bij sommige gelovigen een vies woord. Vroeger zeiden ze met respect over enkele bevoorrechten: “Die is bekeerd.” Dan wás je wat, vond ‘men’. Nou, volgens mij dus niet!
Ten eerste maakt ‘men’ niet uit wie er wel of niet bekeerd is, ten tweede: mensen die beweren bekeerd te zíjn, die slaan de plank ook behoorlijk mis!
Als je bekeerd bént, heb je de eindstreep nog niet bereikt! Bekeerd zíjn, hoe prachtig ook, betekent dat je eraan moet werken om bekeerd te blíjven! Waarom? Het gaat steeds weer mis met ons, we moeten blíjven ontdekken: ik ben wéér de fout in gegaan en ik moet me opnieuw voor God verootmoedigen! Dat is: klein worden voor God, onze zonde belijden en ons bekeren: omkeren naar God!
Zoals ik al zei: ‘bekering’ is voor sommigen een beladen woord, maar zolang dit geen obsessie wordt is daar niks mis mee. Je mag je best afvragen: ben ik wel goed genoeg? Onze wijkpredikant is daar heel duidelijk over: “Nee, we zijn beslist níet goed genoeg! Maar…”
Ik zal het maar weer eens onder de aandacht brengen: de Bijbeltekst waar álles om draait: Johannes 3 vers 16: ”Want zo lief heeft God…” Verder ga ik niet, ik neem aan dat je de rest van deze Bijbeltekst uit je hoofd kent.
Om deze evangeliewoorden compleet te maken geef ik vers 17 die erop volgt ook eens mee: “Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden.”
In de laatste zin zegt Jezus vrij vertaald: “Ik heb dat alles toch niet voor niets ondergaan? Ik kwam hier niet om vliegen te vangen!” Het staat er zo simpel: ‘alles’… Dat betekent: die angst in Gethsémané, de vernedering, de kruisiging, de pijn, het sterven en afdalen naar de hel… en weer opgestaan. Dat heeft Hij toch niet voor níets gedaan? Dat zou verschrikkelijk zijn, dat zou… zonde zijn!
Dat kúnnen we voorkomen, lees ik in Efeze 6 vers 14-18: “Houd dan stand, uw middel omgord met de waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid, en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie van de vrede. Neem bovenal het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen. En neem de helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord, terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”
Een mond vol! Moeten we dan blíjven vechten, ons blíjven bekeren? Nee, uiteindelijk hoop ik te mogen belijden wat in 2 Timotheüs 4 vers 7 staat: “Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden.”
Want zó lief heeft God…
jóu en míj!