Geest-drift

Jantje huilt: Stofje…


Jesaja 40 vers 15: ”Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer, als een stofje op de weegschaal.”

Wij schrijven 12 mei 2024 ergens in de Pyreneeën, om half vier ’s nachts. Ik moet. Ik lig al even wakker, maar ik durfde niet ineens. Ik had zo akelig gedroomd. Tja: ooit die diagnose: ‘zware depressie met angststoornis’: het blijft een zwakke plek. Ik heb een rusteloze nacht: vanwege rugpijn kan Sophie even niet anders dan op haar rug slapen en dan snurkt ze. Ik ben een lichte slaper en hoor elke snurk. Normaal gesproken geef ik haar een duwtje en draait ze slapend op haar zij, maar dat gaat nu niet. We staan een paarhonderd meter buiten een dorpje, de straatverlichting is uit en er is geen maan, het is hier dus aardedonker.
Ik moet, dus hup: eruit! Buiten is het kil, je ziet geen hand voor ogen. Ik zie de grote beer en de poolster haarscherp afgetekend tegen de pikzwarte hemel: koude ijskristallen in een zwart niets. Hoeveel lichtjaren staan die sterren hiervandaan?  De steelpan van de grote beer staat recht boven mijn hoofd. Als je in het donker recht omhoogkijkt, zie je de aarde niet en lijk je in dat immense universum te zweven. Alleen.
Ik ben als een stofje op de weegschaal in dat immense universum. Acht miljard lichtjaren groot? En daar voorbij? Ik huiver, ik: een nietig stofje in een eindeloze ruimte. Een nietig stofje, een pluisje: God veegt het achteloos van Zijn revers. Het dwarrelt naar beneden en verdwijnt: een nietig stofje in het niets. Mijn God, ik ben zo bang!
Mijn vader was 63 jaar, toen viel hij dood neer, door een hartstilstand. Als ik nú eens… dat zou toch kunnen? Wat moet Sophie… ze spreekt geen woord Frans, helemaal alleen: een nietig stofje in dat immense universum! God, ik ben zo bang…
En wat… als zíj nu eens… De schrik slaat om mijn hart, ik huiver! Wat zou ik alléén, een nietig stofje, in dit immense universum! God, ik ben zo bang…
Wat zou ik alleen… In een ravijn gaan springen, in opperste paniek, immense radeloosheid? Wat anders? Of de camper een ravijn inrijden, met Sophie erbij: dan gaan we samen… zoiets als Dries van Agt en zijn vrouw Eugenie: samen hand in hand.
Maar dat mág ik niet en dat kán ik niet!
Mijn God, mag ik eerst, want alleen,
zonder haar, dat kán ik niet!
Ik huiver. Gód, ik ben zo bang…
Vier uur: nu geen halve slaappil meer, dat is te laat.
Ik kruip dicht tegen Sophie,
dan gaat het net.
God, laat het toch eens lichter worden!
Een uurtje later:
mijn merel zingt zijn eerste lied:
het eerste ochtendgloren.
Ik laat Sophie dit nog niet lezen,
pas later, thuis.
Mijn God, breng ons toch veilig thuis!
God ís er wel, dat wéét ik, geloof ik,
maar ik vóel het niet,  
nog niet…