Vakantie 5: De Eeuwige…
Psalm 8 vers 5: … “Wat is dan de sterveling, dat U aan hem denkt, en het mensenkind dat U naar hem omziet?”
We zijn in de Pyreneeën! Het lijkt wel of je in een ander land komt: geen Frankrijk meer! Eerst de bebouwing: je ziet hier al wat Spaanse invloeden: kleurige huizen, veel frisser dan elders in Frankrijk, hier en daar met een schaduwrijke veranda.
Dan de bergen: daar word je héél bescheiden van, wat een immense pracht! We reden vandaag door een rotsspleet over een weggetje naast een beek. Links en rechts grijsbruine rotswanden met hier en daar een pluk groen en geelbloeiende mimosa. Soms een strook grond: rood van de klaprozen tussen het groen: prachtig! En dan zie je zo nu en dan tusen de bergen door, als iemand die stiekem met je meereist: die ene hoogste berg met eeuwige sneeuw op de top. Je ziet die berg steeds op dezelfde plaats en lijkt met je mee te reizen, zoals een kerktoren die je vanuit een rijdende trein aan de horizon ziet: de toren lijkt net zo hard te gaan als de trein en alles wat je ertussen ziet zoeft aan je voorbij.
We zijn nu alweer een dag later: een héél smal weggetje door een schitterend gebied! Ik heb anderhalf uur nauwelijks in z’n drie gereden. Mijn enige zorg was: wat als er een gekke Fransman vanachter een hoek komt, hoe gaan we elkaar passeren!
Want er is een verschil van inzicht tussen ons en Fransen over verkeersborden: als wij een bord met 90 zien, weten we dat we niet harder dan negentig mógen. Fransen denken dat je dan negentig móet en dat maakt het rijden in het Franse land wel een beetje spannend.
Als je in de Pyreneeën rondrijdt schrééuwt Psalm 121 je tegemoet: “Ik sla mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. Mijn hulp is van de HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” We zijn onder de indruk van Góds almacht en ónze onbeduidendheid: wij zijn “een stofje op de weegschaal.” (Jesaja 40 vers 15) En tóch neemt Hij elk van ons apart, Hij ziet ook jou en mij!
We reden een eenzame wielrenner voorbij. Ik kan me niet voorstellen dat je zoiets voor de lol doet, maar het zal wel. Even later stopten wij op een mooie plek en hij kwam omhoog zwoegen en stapte bij ons af. Ik zei: “Bonjour”, maar hij antwoordde niet. Zijn lichaamstaal en gezicht spraken boekdelen, hij leek er een beetje doorheen te zitten. Wellicht dacht hij: wat doe ik hier op die hoge steile helling, ik moet nog zóveel kilometer!
Zo zien wij soms tegen andere bergen op. Bergen waar we niet om vragen, maar die ons overkomen: ziekte, psychisch of lichamelijk. Of beide, of… vul zelf maar in. Dan kijk je anders tegen jóuw berg aan, dan zie je Zijn almacht niet en denk je soms: waar ís Hij? Je trapt je rot, maar je komt nauwelijks vooruit, je valt bijna van je fiets!
Houd moed, want ineens zie je dan tóch tussen de bergen door, als iemand die stiekem met je meereist: die ene hoogste berg met eeuwige sneeuw op de top.
Of… ‘Iemand met een hoofdletter, Die stiekem met je meereist, de Hoogste Berg, met die witte hoed op? Soms zie je Hem niet, zit Hij achter een rotswand, maar Hij ís er wel!
Dan, om een bocht, zie je ineens weer die witte muts, die Eeuwige sneeuw boven op die berg!
Weet je, de Joden noemen God: De Eeuwige.
Dus… als je in God gelooft… ben jij ook eeuwig!
Weet je nog? Die ene zin van Psalm 121:
“Uw ziel zal Hij bewaren…. …van nu aan tot in eeuwigheid.”
Toch?