Geest-drift

Vakantie 1: Toekomst…

Psalm 31 vers 4: “Want U bent mijn rots en mijn burcht! Wijs mij dan de weg en leid mij zachtjes, omwille van Uw Naam.”

De laatste zondag voor onze vakantie ben ik altijd een beetje melancholisch gestemd. Ik dacht aan mijn moeder: ze was niet echt, zoals dat heet, een schipperse. Sterker nog: als schipperskind dacht ze: ik trouw niet met een schipper! God besliste anders. Als we eens een paar weken met ons schip op dezelfde plaats waren, hechtte ze zich aan de bakker en de slager die haar al herkenden en aan de omgeving die intussen vertrouwd aanvoelde. Als er weer gevaren moest worden, moest ze zich met pijn in het hart losscheuren van dat bekende. Zo voel ik me voor de vakantie, maar zodra we met ons campertje weg zijn is het Goddank over, dan is dát mijn ‘thuis’.
Ik beleef de laatste kerkdienst extra intens: straks vertrekken we en mis ik dit alles. Ja, er dreigt eigenlijk wel heimwee! De zegen die ik aan het eind van de laatste kerkdienst ontvang, probeer ik extra intens te beleven: ik knijp mijn handen stijf samen, want dit is voorlopig de laatste waar ik het heel de vakantie mee moet doen!
Nog een laatste rondje fietsen langs de Molenkade, nog even afscheid nemen van de Noord en mijn kastanjeboom, zal ik het missen? Och, dat valt steeds mee, zodra we met ons campertje weg zijn is het Goddank over: dan is dát mijn ‘thuis’. Het is nu meer het onbekende: de onzekere toekomst: waar gaan we heen, waarin komen we terecht? Hoe onderga ik dat? Ik wil niet weg! Wat doen we toch moeilijk: we halen ons een boel gedoe en risico op de hals en storten ons in het onbekende, het onzekere. Waarom blijven we niet lekker thuis! Rustig, gemakkelijk, oud en vertrouwd! Je bent voorzien van alle gemakken. Als het slecht weer is pak je een boek of je gaat iets knutselen, je hebt álles binnen handbereik!
Heb ik dat van mijn moeder? Het zal wel, zij was ook erg honkvast, kon zich niet losmaken van het oude en vertrouwde. En uitgerekend zíj moest een schipper tegen het lijf lopen!

Toch heb ik het bij haar ook anders gezien: het naderen van haar levenseinde. Ze hoefde zich niet los te scheuren, ze wás al los: van haar omgeving, én van ons. Hoe vaak hoor je niet: “Ik hoop nog mee te maken dat mijn kinderen… mijn kleinkinderen…”. Nee, haar blik was omhoog gericht. Wij waren al uit beeld en ze keek uit naar het komende, naar Jezus, die Zijn hand al naar haar uitstak! Eén ding hoopte ze: dat er iemand zou spreken op haar begrafenis. Dat heb ik gedaan: háár levensverhaal over God, Die bijna 91 jaar in haar leven was.
Soms maak ik me zorgen: hoe zal het me vergaan als het voor mij écht zover is: geen vijf weekjes op vakantie, maar definitief: dood, naar de ándere wereld, nóóit meer terug…
God zal me toch wel sterken, geloof en hoop geven op een zekere toekomst?  

Op mijn moeders rouwkaart stond:
“God, Die de zorgeloze vogels
en de bloemen kleedt en voedt,
riep haar naar huis, ze was van ’t leven
zo moe geworden, nu is ’t goed.”
Ja, dat heb ik bedacht, maar… zal dit gedichtje ooit op míjn rouwkaart passen?

Als ik ooit écht ga sterven, weet ik het dan zeker? Zal het net zoals bij mijn moeder zijn: zodra we weg zijn, is het Goddank over, dan is dát ons ‘thuis’?

Maar die laatste dag voor de ‘grote vakantie’…

Mijn God, gaat U toch met me mee!