De Pottenbakker…
Jesaja 64 vers8: “Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen.”
Ik heb een foto waar mijn vader en ik op staan. Ik was een jaar of vier, mijn handje in zijn grote hand. Mijn vader heeft een stapeltje paperassen onder zijn arm. Op de achtergrond zie je een slagboom en een ‘commies’ van de douane. Het gaat hier om de Nederlands-Belgische grens bij Sas van Gent. Toen een vast ritueel in de internationale binnenvaart: een landsgrens passeren was nog een hele onderneming met veel papieren rompslomp.
Ik ben dankzij het zogenaamde ligplaatsonderwijs en de hulp van mijn moeder tot mijn tiende jaar aan boord gebleven. Mijn vader en ik waren vaak te zien zoals op die foto. We deden veel samen: samen naar de schippersbeurs, samen naar de bevrachter ‘om papieren’, samen telefoneren, dat gebeurde toen nog vaak in een café. Als mijn vader aan het werk was, zat ik er meestal met mijn neus bovenop. Hij deed veel zelf en ik heb veel van hem afgekeken, daar heb ik nog steeds plezier van. Ik denk dat ik wel een eigenwijs kereltje was, ik vond ons samen wel stoer. We hadden nooit diepgaande gesprekken, later ook niet. Hij was een onderhoudend gesprekspartner, maar wat diepere zaken betreft heel introvert. Toch hadden we een sterke band, maar daar kwam ik eigenlijk pas achter nadat hij, 63 jaar oud, door een hartstilstand was overleden. Spijt? Nee, onze karakters waren nu eenmaal zo.
Toen ik “aan de wal” ging om naar school te gaan, viel dat niet mee. Mijn moeder bracht me weg, maar ik was te ziek van de zenuwen om naar school te gaan. In het begin werd ik wel gepest, maar dat duurde gelukkig niet lang. In die periode ben ik echt gaan bidden: niet alleen een avondgebedje en zo opzeggen, maar echt mijn verdriet en zorgen bij God brengen. Zo trok God me naar Zich toe door de omstandigheden die Hij schiep. Ik had toen al schrijversaspiraties: ik had een oud agendaatje en daar schreef ik elke dag wat in. Helaas heb ik dat niet meer. Ik herinner me één zin: “Als Pa nou maar niet vergeet om die luiwagen op te ruimen, dan waait hij nog weg.” Dat zat zo: ze moesten ’s maandags over Zeeland varen en het waaide nogal. Ik maakte me geen zorgen om die luiwagen, maar ik wilde zeggen dat ik heimwee had naar de wereld waar ik zo ruw uitgerukt was! Die eerste dagen heb ik besloten: mijn kinderen gaan later niet aan de wal, dus ik word geen schipper.
Ik herinner me nog het eerste weekend daarna weer aan boord. Mijn vader was een nieuw luik aan het maken en ik zat erbij. Ineens viel het me op dat het stil was, akelig stil. Praatten we voor die tijd ook zo weinig? Ik zou het echt niet weten. Ik begreep toen nog niet dat dit het einde betekende van een fijne en zorgeloze jeugd. Misschien zijn die eerste tien jaar onder de hoede van mijn vader me later wel opgebroken. Toch zal ik God altijd dankbaar blijven voor die mooie tijd. Dit klinkt misschien of mijn leven vanaf mijn tiende niet zo leuk meer was. Dat is niet zo, ik had het goed bij de familie waar ik in de kost was en ik heb ik toch een fijne jeugd gehad. God leidt mijn leven, dat zie ook in dit verhaal en als God het zo wilde, dan is het goed. Daar probeer ik me aan vast te klampen als het eens moeilijk is.
Wij zijn het leem en God is onze pottenbakker: Hij kneedt ons tot iets moois. Soms gaat dat hardhandig en snappen we het niet. Een andere keer is Gods bedoeling duidelijker en zien we Zijn hand erin. Ik denk aan Psalm 139 vers 23 en 24:
Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten.
Zie of er bij mij een schadelijke weg is en lijd mij op de eeuwige weg.”
Nu nog blijven geloven, vandaag,
maar ook morgen, als…