Geest-drift

Stil…


Psalm 62 vers 2 en 3 (NBG):
“Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.”

Ik was op huisbezoek bij Kees. We kunnen goed praten, we hebben samen veel raakvlakken.
We hadden het over een mooie tijd: Kees wist dat ik vijftien jaar koster geweest ben. Het was een baan voor het hele gezin: Sophie regelde dat de liturgie van de dominees bij de organisten kwam. Erik was vijf toen ik begon: hij ging elke zondag twee keer mee, want zonder hem zou er van alles misgaan! Hij mocht de kaars aansteken en de klok luiden. Hij ging naast de organist zitten en daar begon zijn interesse voor het orgel. Annemarie ruimde het glas van de preekstoel op en nam er weleens een slokje van: is dat gewoon water? Zo greep God ons alle vier, door een paar simpele karweitjes!
Ik kreeg vaak de vraag: “Dan moet je élke zondag twéé keer naar de kerk, vind je dat niet vervélend?” Nee, dat vond ik níet vervelend, sterker nog: ik genoot ervan! Als er eens op zondag een verjaardag was, had ik een waterdichte smoes: “Ik móet twee keer naar de kerk!”
Ik zei tegen Kees: “Als we van een verjaardag terugkeren, zeggen we soms tegen elkaar: “Waar gingen de gesprekken nou eigenlijk over?” Kees greep naar zijn hoofd van ontzetting en knikte: hij begreep me maar ál te goed!
Let wel: ik maak fijne verjaardagen mee, met goede gesprekken, maar soms hoor ik alleen maar herrie: verstoring van een goede stilte. Elia leerde het al in 1 Koningen 19: God kwam niet in de sterke wind, niet in de aardbeving en niet in het vuur. Er had bij kunnen staan: God komt zelden op verjaardagen. God kwam uiteindelijk in de stilte, en zo is het nog steeds!
Ik had Kees verteld over mijn moeder: ze hoopte op het laatst van haar leven dat God haar maar gauw kwam halen. Ik had gelezen uit Openbaring 22, dat zat nog in mijn hoofd van vorige week: “En daar zal geen nacht zijn, en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want de Heere God verlicht hen.” ‘Hen’… dat zijn wij dus!
Toen viel er een stilte. Niet akelig, een weldadige stilte die goed was. En toen kwam God binnen. Had ik iets gezegd? Ik weet het niet. Had Kees iets gezegd? Ik weet het niet. Ik voelde het in alle vezels van mijn lijf, ik zag het ook aan Kees. En die stilte was goed. Thuis heb ik dat nummer van Sela beluisterd, dat klinkt zo iel, bijna aarzelend en God kwam wéér:

Stil, mijn ziel, wees stil en wees niet bang

voor de onzekerheid van morgen.
God omgeeft je steeds; Hij is erbij
in je beproevingen en zorgen.  

God, U bent mijn God en ik vertrouw op U

en zal niet wank'len. Vredevorst, vernieuw
een vaste geest binnen in mij,
die rust in U alleen.

Lieve mensen: ontwijk de herrie,
zoek de stilte,
dan komt God:
stil…