Geest-drift

En ik zag...


Jesaja 43 vers 18 en 19a: “Denk niet aan de dingen van vroeger, let niet op de dingen van het verleden. Zie, Ik maak iets nieuws. Nu zal het ontkiemen. Zult u dat niet weten?”
Laatst liepen we zomaar eens over de begraafplaats om naar de graven te kijken. We wonen inmiddels 42 jaar in Alblasserdam en we kennen zodoende al ontstellend veel overledenen. Ik ontdekte twee oude bekenden uit de binnenvaart: Abel en Rie Dane. Abel was een Zeeuw, daar heette hij Aobel Daone. Hij heeft zijn oude dag in Alblasserdam doorgebracht: zijn vrouw kwam uit Alblasserdam. Ik heb ze hier weleens gesproken. Onder op de steen staat: ‘Ouders van Corrie’. Ze waren gek op hun dochter, enig kind, ze werd maar in de veertig. Rie is als laatste in 2004 overleden. Volgend jaar wordt het graf geruimd, aldus de gemeentewerker aldaar. Hun scheepje werd destijds naar Engeland verkocht, dus na die ruiming zijn al hun sporen uitgewist. Au! Psalm 103 vers 15 en 16: “De sterveling – zijn dagen zijn als het gras, als een bloem op het veld, zo bloeit hij. Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer en zijn plaats kent hem niet meer.”

Ik moet even vertellen dat mijn opa Adriaan heette, in het Zeeuws: ‘Arjaon’. Ik was anderhalf toen hij stierf, dus ik heb hem niet gekend. Abel vast wél.
Ik dacht bij die grafsteen aan een mooie herinnering uit mijn jeugdjaren. We waren met mijn ouderlijk schip bij Sas van Gent in het kanaal van Gent naar Terneuzen aan het lossen, ik scharrelde wat met de roeiboot rond. Abel Dane kwam aanvaren met zijn geladen metorretje ‘Corrie’ richting België. De bejaarde Brons motor deed braaf zijn werk: tabak-tabak- tabak… Ik wrikte wat dichterbij en Abel voer vlak langs: tabak, tabak, tabak... Hij stak zijn hoofd uit de stuurhut en riep: “Arjaontje!” Tabak, tabak, tabak… Die ene kreet ter begroeting deed me goed: mijn afkomst, zeg maar mijn roots én mijn persoontje klonken erin door, ik telde mee! Mijn roeiboot schommelde even door de boeggolf, toen zag ik het metorretje van Abel kleiner worden, terwijl ik in zijn kielzog dobberde: het kenmerkende motorgeluid wegstervend in de verte: tabak-tabak-tabak-tabak-tabak-tabak... 
De herinnering aan deze ontmoeting stemde me wat weemoedig. “Een en al vluchtigheid, zegt Prediker” en zo is het maar net: alles is hier vergankelijk. Ik heb veel mooie herinneringen en daar ben ik dankbaar voor, maar die zijn wel voorbij!
Ho, nu verdwaal ik! Even terug naar het laatste vaste punt dat ik passeerde: de Bijbeltekst hier bovenaan uit Jesaja: we moeten niet achteróm, maar voorúitkijken!
In Openbaring 21 vers 1 staat: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer.”
De zee is in deze Bijbeltekst een symbolische samenvatting van alle pijn en moeite, ook van heimwee naar het verleden: het gevolg van de zondeval, ónze zondeval. De ‘echte’ zee zal daar ook echt zijn, dat geloof ik vast. Hoe? Dat kunnen we ons niet voorstellen.

Ik heb zelf al een foto gemaakt voor op mijn eigen rouwkaart: een scheepje tussen de pieren van IJmuiden, dat zee kiest, tijdens een zonsondergang, met een zeemeeuw op de voorgrond. Nee, wees gerust, ik hoop dat het nog een poosje duurt,
maar toch, een mooi perspectief: Openbaring 4 vers 6:
“En vóór de troon was een glazen zee, als kristal.”
Ik zie dat scheepje in een wazige verte verdwijnen tijdens die prachtige zonsondergang: tabak-tabak-tabak-tabak-tabak-tabak... 
Mooi vooruitzicht, toch?
We gaan het zien!