Maranatha…
Psalm 2 vers 1 berijmd:
“Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch? Wat is de waanzin toch die zij beramen?
De groten staan gewapend tot de slag, de machtigen der wereld spannen samen.
't Is tegen het gezag van God den Heere en tegen zijn gezalfde Vorst gericht:
Komt, zeggen zij, laat ons hun banden scheuren, tot alle macht in onze handen ligt!”
Zaterdagavond keek ik naar het journaal van acht uur. Er werd een kofferbak geopend, er werd een vrouw uit gesleurd. De doodsangst stond in haar ogen en sprak uit haar bewegingen: als een half doodgeslagen hond. Ze werd op de achterbank gegooid, waarschijnlijk om als oorlogstrofee rondgereden te worden. Ze had een joggingbroek aan. De bodem van haar broek was doordrenkt met bloed. Wat zou die vrouw… mijn adem stokte… ik durfde niet verder te denken. Mijn God, mijn God…
Weet je wat een trofee is? Onder andere: “Wapenrusting of andere attributen van een vijand, die na een overwinning werden meegevoerd of opgehangen.” Een trofee zou dus geen mens, maar een ding zijn: het Groot woordenboek der Nederlandse taal moet herschreven worden, het is véél erger dan ze denken, véél erger dan wíj denken!
Dit is Psalm 2 vers 1 ten voeten uit: verschrikkelijk, dat wij mensen dáártoe in staat zijn!
Wacht… in die Psalm wordt gewezen: ‘de groten, de machtigen der wereld’, bijvoorbeeld Poetin, of Adolf Hitler, maar: Jan met de pet of Jan Soldaat kan het ook! Maar nee, we mógen niet naar anderen wijzen, dat mag God alleen! Laten we maar bij onszelf blijven!
In Psalm 51 vers 7 lees ik van David, na zijn slippertje met Bathseba en de moord op Uria: “Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen.” Wij hadden een doopdienst, dus hoorden we dit ‘toevallig’ vanochtend in het doopformulier en dan denk je: och, zo’n pasgeboren wurm, daar zit toch geen kwaad in? Maar…
Maar wíj dan? Zijn wij óók tot zulke gruweldaden in staat? Uit de Tweede Wereldoorlog zijn verhalen bekend van eerzame echtgenoten die overdag de vreselijkste misdaden pleegden en ’s avonds als liefhebbende huisvaders met hun kinderen speelden. Dan kan ik toch ook zover gedreven worden? Dat kun je je niet voorstellen als je vanaf de bank naar het journaal kijkt…
Het zit tóch in óns, honden worden niet vals gebóren, maar vals gemáákt, door mensen…
Wij bidden dagelijks, zo mag ik hopen: “En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze…” Dat moeten we eens bewuster bidden… Want dat is hard nodig!
Na de doop zongen we Psalm 134 vers 3. Ik heb het in gedachten die vrouw toegezongen:
Dat 's HEEREN zegen op u daal'; Zijn gunst uit Sion u bestraal'…
God, we leven in een rotwereld!
Uw schepping, Uw Bijbelboek Hooglied,
het wás zo mooi…
Wij zongen later: “Stil, mijn ziel, wees stil en wees niet bang…”
Dat lied krijgt zij híer nooit meer uit haar strot!
Of zou ze intussen…
Misschien is dat wel beter,
want híer wordt het niets meer, met háár.
Heere Jezus, kom maar gauw,
want híer wordt het niks meer,
met óns.