Geest-drift

Vakantie 6: Kopje onder…

 

Handelingen 8 vers 37: “En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd.” We staan aan de oever van een schitterend Zweeds meer. Vanochtend vroeg, op een tijd dat een ordentelijke vakantieganger nog buiten kennis is, hebben we lekker gebadderd: trapje af kopje onder, trapje op, doucheprut, kopje onder, steigertje, handdoek: klaar, heerlijk!    
Ik dacht ineens aan de kamerheer uit Ethiopië die ook kopje onder ging, maar dan om zijn ziel schoon te wassen. Hij was naar Jeruzalem gereisd om meer over de God van Israël te weten te komen. Zijn nieuwsgierigheid werd niet bevredigd: hij kreeg bij de tempel in Jeruzalem de kous op zijn kop: niet-Joden mogen daar niet naar binnen: fout! We mogen nooit iemand buitensluiten, iedereen is welkom in de kerk! Juist rand- en buitenkerkelijken zullen na zo’n ervaring denken: nou, mooie boel, hier zien ze mij nooit meer! Jaren later hoor je ze er nóg over: “Toen stond ik aan de kerkdeur te rammelen en jullie…”
Toch bleef de kamerling, ondanks die domper, volhouden: hij was op een of andere manier door God gegrepen. Hoe, dat staat niet in de Bijbel beschreven, maar het moet heftig geweest zijn. Als God je grijpt dan ís het ook heftig, dan laat Hij je niet meer los!
Die kamerling was een hoge pief in Ethiopië: hij was gewend te bevelen en had weinig geduld nodig, dat moesten zijn onderdanen waarschijnlijk met hém hebben. Nu léérde hij geduld, hij worstelde met het boek Jesaja en begreep er niets van.
God stuurde hulptroepen in de persoon van Filippus. Nee, niet ineens, die kamerling werd eerst behoorlijk op de proef gesteld! Waarom gebeurt het toch dat we vaak lang moeten bidden, lang moeten worstelen, lang denken dat de hemel van koper is, dat God in elk geval voor míj even niet bereikbaar is? De Bijbel staat vol met zulke verhalen. Ik denk aan Abraham: hij moest zijn zoon offeren en het duurde wel erg lang voordat God hem terugriep. Abraham zal peentjes gezweet hebben! En Izak intussen: “Pa, moet er geen offerdier mee?” “Nee jongen, dat hoeft niet…” Zijn énige zoon, waarop Sara en Hij zo lang moesten wachten! En intussen natuurlijk vurig bidden: “O God, help dan toch, waar blijft U nou!” Maar de hemel bleef lang dicht, de hemel leek van koper!
Hoe kan het toch, dat de kamerling en Abraham volhielden, dat wij het bijltje er niet bij neergooien? Nou ja, ik soms wel. Ik heb weleens gedacht: ik bid niet meer, het helpt toch niet. Ik hield het niet lang vol, ik kón het niet, ik dúrfde niet, ik werd onweerstaanbaar getrokken! Ik ging peentjes zweten, net als Abraham, met die hoge berg voor zich… Weet je hoe dat komt? God kent ons als geen ander en leidt ons véél meer dan we doorhebben.
In Psalm 139 staat de uitdrukking ‘ontzagwekkend wonderlijk’. Nee, ik ga het niet voorkauwen, ik zeg niet in welk vers. Zoek dat zelf maar eens op, daar leer je van.
Heb je het gevonden? Dan heb je ook gelezen hoe intensief God met jóu persoonlijk bezig is, hoe door en door hij jóu kent, hoe ontzagwekkend wonderlijk onze God is! Ik schreef dat de kamerheer zijn ziel moest wassen. Toch blíjven we de fout in gaan, maar als we berouw tonen blíjft God vergeven, ook dat is ontzagwekkend wonderlijk! En dan beweren dat de hemel van koper is? Oei, oei!
Mijn God, hoe ontzagwekkend wonderlijk!
Ik ga kopje onder…
in Uw liefde!