Thuis…
Openbaring 21 vers 1: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer.”
Het leukste van de vakantie vind ik eigenlijk… het thuiskomen! En zo hoort het toch ook? Het zou niet goed zijn als we er tegenop zagen. Vakantie is leuk, maar je laat best veel achter: je familie, je vrienden, je kerk, en als je het goed beschouwt: je thuis, je bestaan, ook je bezit. Wat het laatste betreft denk ik dat zeker meespelen: je eigen bed, douche en wc. Als ik thuiskom, moet ik altijd ineens nodig en dan volgt er een gelukzalig moment: voor het eerst na weken op mijn eigen privaat, oud, vertrouwd en veilig!
Ik dacht aan de kampeervakanties, vroeger met de kinderen. Ik was de laatste ochtend extra vroeg wakker vanwege de (positieve) spanning. Mijn eerste actie was zowel praktisch als boosaardig: ik trok alle pluggen van de luchtbedden eruit! De bedoeling was meteen duidelijk, ondanks hevige protesten en hartverscheurend gekreun: “Eruit, actie, we gaan naar huis!”
Het laat mij niet los, dat ‘thuiskomen’. Ik zocht naar een Bijbeltekst met dankbaarheid, want na een fijne vakantie ben je dankbaar, toch? Al bladerend en mijmerend kwam ik tenslotte bij de tekst uit het laatste Bijbelboek terecht, gek hè? Eerder zag ik ‘niets’. Zo kan Geest-drift onverwacht uitlopen op heel iets anders, maar het gaat nog steeds over… thuiskomen!
Ik dacht aan de fles die half leeg of half vol gezien kan worden. Ik dacht aan onze oud-wijkpredikant, dominee Wim Bevelander. Een pessimist had gezegd: “Hij staat met één been in het graf.” Hijzelf zei: “Ik sta met één been in de hemel!” Ik geloof vast dat hij al even om het hoekje mocht kijken, net als Johannes in Openbaring, anders wordt je geloof toch niet zó zeker wéten? Mij moeder wist het ook zeker, toen ze sprak: “Ik heb genade, Jezus komt gauw.” Diezelfde middag kwam Hij haar halen.
Ik spreek mezelf moed in. Ooit schreef ik zo stoer: “Laat Jezus maar komen!” Later had ik er spijt van, want toen dacht ik weer: wat was ik een bluffer… Ja, Jantje huilt, Jantje lacht! Soms geloven we zo vast, een andere keer speelt die twijfel weer op: zal ik geloven, zal ik het wéten, als het zover is? Ik hoor die twijfel soms in het ouderenpastoraat: als je jaren gaan klimmen, weet je dat het niet zolang meer kan duren voordat het zover is... en dan?
We moeten geloven en vertrouwen, maar we mogen ook twijfelen! Ik denk aan David: in Psalm 23 wist hij het zeker: “Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad.” Eén Psalm eerder, in Psalm 22 vers 1 schreeuwde David het uit: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.” Goddank weten wij wat die woorden nog méér betekenen: Jezus riep ze uit aan het kruis, toen Hij leed voor míjn zonden en ook voor míjn twijfels!
David wíst het wel, ondanks… Lees maar na in het laatste vers van Psalm 23: “Ik zal in het huis van de HEERE verblijven tot in lengte van dagen.”
Hoe komt het toch dat ik steeds bij dezelfde Bijbeltekst terecht kom? Hier is ie weer:
Filippenzen 4 vers 7 en 8: “Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.”
Nee, niet beredeneren, lees nou eens goed: er staat dat het ons verstand te boven gaat!
Dat hoef je niet zelf, dat kán je niet eens zelf, het overkomt je:
want Jezus zal je gedachten bewaken:
en de vrede van God, die álle verstand te boven gaat…
en dan ben je thuis!