Geest-drift

Kerst?

 

Mattheüs 13 vers 3b en 4a: “En Hij sprak tot hen veel dingen door gelijkenissen. Hij zei: Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien. En toen hij zaaide, viel een deel van het zaad…”
In een stadje, ver hier vandaan, woonde lang geleden een jongetje dat David heette. Die naam hadden zijn ouders niet zomaar bedacht. Vader had hem eens verteld dat hij er één ‘uit het huis van David’ was. Zijn betovergrootvader, nee nog veel langer geleden, heette ook David.
Gisteren waren opa en oma geweest. Zijn moeder had héél lekker eten gekookt en ze hadden gezellig met elkaar gegeten. Zijn vader bad voor het eten, zoals altijd. Zijn vader was erg streng en door zijn zwarte baard zag hij er nog strenger uit. Buiten droeg hij een zwarte hoed, dan leek hij nog somberder. David keek weleens stiekem naar hem als hij bad, dan zag zijn gezicht er veel vrediger uit.
Toen ging de bel. Vader keek nijdig: “Ook dat nog! Zeker een collecte, die lui komen altijd als je zit te eten!” ”Ik ga wel”, riep David en hij rende al naar de deur.
Er stonden een man en een vrouw, zij had een kindje in haar armen. Ze leken een beetje armoedig en die vrouw zag er moe uit. En het kindje? Dat kindje had héél bijzondere ogen, David moest er steeds naar kijken: een doordringende blik, alsof dat kindje alles van hem wist! De man vroeg: “Mogen we hier misschien even binnenkomen? We zijn zo moe, we hebben het koud en we zijn héél ver van huis.” David hoorde de kamerdeur: vader kwam de gang in: “Ik heb geen geld, we zijn al bekeerd en mijn eten wordt koud”, snauwde hij en gooide met een smak de deur dicht. “Zo”, zei vader, “als de bel weer gaat blijf je zitten, dan kunnen we tenminste rustig eten, ik verwacht toch niemand meer!” En tegen de anderen: “Ik denk dat het zwervers waren, vooral die vrouw, eigenlijk nog maar een meisje, zag er niet uit, en ze had een kindje bij zich. Ze zullen vannacht wel bij een boer geslapen hebben, het stro zat nog tussen hun kleren. Wel zonde van dat kindje, dat gaat natuurlijk ook naar de Filistijnen.”
Na het eten las vader uit de Bijbel, uit Jesaja 9 vers 5: “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder. En men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.”

David zag in gedachten nog steeds de ogen van dat kindje, zo lief, zo bijzonder, zo…
“Wat stond er nou voor gek verhaal in de krant?”, vroeg mama, “iets over engelen die naar een kindje gingen kijken, het deed me wel wat…” “Dat verhaal kwam van een stelletje herders, een onzinverhaal”, zei vader, “ze waren waarschijnlijk vol zoete wijn.”
Oma zei: “Er wordt beweerd dat de Zaligmaker geboren is, die in het Oude Testament beloofd is: Jezus Christus, Die álle mensen verlost. Ik had er best heen gewild, maar dat komt er zomaar niet van: druk, druk, druk!”
Opa geloofde er niet in: “Ze zeggen dat hij ons gaat verlossen van de Romeinen, maar dat zal wel niets worden, die krijgt hij ook niet één twee drie het land uit!”
Moeder keek naar David, hun blikken kruisten elkaar. David bloosde, of moeder hem ergens op betrapte. David dacht nog steeds aan de ogen van dat kindje, zo lief, zo, zo… bekoorlijk. Hij wist niet precies wat dat woord betekende, maar dat was het: bekoorlijk!
Er was ook nog een Vader met een hoofdletter, in de hemel. Die Vader was bedroefd over zaadjes die in verkeerde aarde vielen, maar ook hoopvol over zaadjes die goed terechtkwamen. Soms piepkleine zaadjes, die tóch wortelschieten. 
’s Avonds in bed kon David niet slapen. Hij zag nog steeds de ogen van dat kindje, alsof ze hem nog steeds aankeken. Zo bijzonder, zo bekoorlijk, zo, zo…