Geest-drift

Vakantie 3: Het bloed kruipt…


Psalm 105 vers 5: “Want de HEERE is goed, Zijn goedertierenheid is voor eeuwig, Zijn trouw van generatie op generatie.”
We ‘houden zondag’, volgens de traditie die me met de paplepel ingegeven werd: op zondag werd er toen niet gevaren en nu niet gereden. Ik zit met mijn laptop op schoot, zoals het hoort, in de schaduw van een boom bij een typisch Frans ‘vijfmetersluisje’. Dit is het domein van de spits, een schip van 38 x 5 meter, nu zo ongeveer het kleinste binnenschip van Europa. Begin jaren zestig waren er alleen in België al 3500 spitsen, nu kan er misschien wel een nul af. De schippers hebben deze bedrijfstak zelf verloren laten gaan: ze wilden allemaal groter en veel spitsenwerk wordt nu per as vervoerd omdat er niet genoeg spitsen meer zijn. De veelal pittoreske Franse kanaaltjes worden nu het meest nog door de pleziervaart gebruikt. Er zijn nog wel echte spitsen: gisteren passeerde er een Hollands jong stel met zo’n typisch Belgisch/Frans schip, hier ‘frécinet’ of ‘trente-huit métres’ genoemd, met 250 ton brouwgerst van Frankrijk naar Roermond. Het deed me aan mijn jeugd denken: soms tien sluisjes per dag. Zodra de kop in de sluis was sprong ik eraf om een van de twee sluisdeuren dicht te draaien, daar won je tijd mee, dan vijf frankskes fooi voor de sassenier, daardoor liep hij een stapje harder. Nu krijgt de schipper afstandsbediening mee om de sluisjes zelf te bedienen. Een vooruitgang? De Franse minister van verkeer en waterstaat vindt van wel. Ik word er wat melancholisch van: lang vervlogen tijden, meer dan een halve eeuw geleden!
Soms kijk ik een schip met een brok in mijn keel na: ik heb de mogelijkheid van een varend bestaan verloren laten gaan. Bewust: ik nam die beslissing al toen ik van boord moest om naar school te gaan, maar toch… gaat zoiets na minstens zeven generaties in je genen zitten? Ik heb het uitgezocht: Jan van der Klooster uit 1747 was de zevende op rij in mijn voorgeslacht die schipper was vanaf mijn vader, daarvoor twee vissers, die zullen ook gevaren hebben. Ik ben dus de eerste afvallige na minstens zeven schippers op rij! Ik weet niet of die lijn nog verder teruggaat, dat zou ik nog eens uit moeten zoeken.
Mijn geloof lijkt net zoiets als dat schippersbloed: zou je daarin ook op je voorvaderen gaan lijken? Ik weet niet hoe het met het geloof in mijn voorgeslacht was, dus neem ik de Bijbel maar voor enige en zuivere waarheid aan: het staat al in vers vijf van Psalm 105!
Mooi, dat het geloof in onze genen zit, maar dat is niet het enige: nu kom ik bij ouders en grootouders en dus ook bij mezelf terecht: we hebben verplichtingen! Ik dacht aan Deuteronomium 6 vers 7: “U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.” Mag ik dit samenvatten met één woord? Er staat eigenlijk: altijd! Hierboven in vers 2 lees ik: “…u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven…”. Ik moet ouders en grootouders, jou en mezelf hierop wijzen!
In Deuteronomium 5 vers 12 staat: “Neem de sabbatdag in acht om die te heiligen, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft.” Ook dit moeten we vertellen en voorleven!
Wij houden vandaag zondag in Frankrijk, omdat mijn vader het deed, mijn opa, mijn…
Tja, dat varen blijft een gevoelig punt: daar kom ik nooit vanaf.
Dat geloof trouwens ook niet, het bloed kruipt…