Geest-drift

Vakantie 1: Met gesloten Ogen…

 

Genesis 12 vers 1: “De HEERE nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.”
Dit wordt een beetje raar stukje: het gaat over de dag van vertrek voor onze vakantie en je leest het pas als we, zo de Heere wil en wij leven, alweer terug zijn. De laatste zondag voor de vakantie staat bij mij in het teken van de lange onbestemde reis die boven mijn hoofd hangt. Er vroeg een kerkgenoot waar we naartoe gaan. Mijn antwoord was: “Naar Frankrijk.” Hij keek een beetje vertwijfeld omdat hij het antwoord waarschijnlijk te vaag vond, maar meer weten wij echt niet! Het mag weer, we durven weer na twee jaar corona! Aan het begin van de vakantie denk ik altijd aan Abraham: hij moest uit zijn land, uit zijn familiekring. Uit zijn kerk? Uit zijn huis, zijn thuis, van zijn vader, zijn afkomst, zijn ‘zijn’?  
De kinderen zongen het liedje ‘Met mijn handen samen en mijn ogen dicht…’ De dominee liet de kinderen bewijzen dat ze blindelings op hun vader en moeder vertrouwen en met gesloten ogen aan hun hand meelopen. Ik dacht aan onze hond: als we de Haven overstaken, best wel een beetje gevaarlijk tussen de rijdende auto’s door laveren, dan bleef hij instinctief vlak naast me lopen: blindelings vertrouwend op zijn baasje. Ik wou dat ik het altijd kon: blindelings vertrouwen op mijn Baas met een hoofdletter!
Ik ben altijd een beetje weemoedig voor het vertrek als we op vakantie gaan, ik neem overal afscheid van: het laatste rondje op de fiets, de laatste zegen aan het eind van de middagdienst, hier moet ik het vier weken mee doen…
Het is nu maandagochtend. Sophie is nog even naar de bakker, dan vertrekken we. De klok staat al stil, ik heb de gewichten er afgehaald, tja ons Zjiwen bin zunig ee, die klok mag niet lopen als we zolang weg zijn, dat is zonde. Maar die stille klok geeft wel een doodse stilte, bijna angstwekkend! Als we na de vakantie terug zijn denk ik: laat maar even stilstaan, tot hij gelijk staat, dan zet ik hem wel aan. Ik houd het nooit vol, ik vind het zo akelig als de klok niet tikt, dan ga ik hem toch eerst opstarten en gelijkzetten.
Maar zo ver is het nog niet, we moeten nog vier weken! Erg hè? Nee hoor, dat valt mee: zodra we weg zijn is het over, maar voor het vertrek: oei, oei!
Paulus schreef in Hebreeën 11 vers 8: “Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam geweest om weg te gaan…” Nou, dat viel tegen, in Genesis 17 vers 17 staat dat Abraham lachte toen hij hoorde dat hij op zo’n hoge leeftijd nog vader zou worden en Abraham was toch niet de eerste de beste! Dan mag ik toch ook weleens… maar het is wel lastig! Misschien glimlacht God wel om mij: maak je nou eens niet zo druk, Ik ben er toch voor jou? Maar ik trap er steeds weer in!
Ik hoor de deur, daar komt Sophie met haar brood. Nu gaan we…
Met mijn handen samen, met mijn ogen dicht? Wij zingen het nota bene zelf ook: “Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heeren hand.” Soms zingen we het vol van geloof, na een pakkende preek! En nu? Je weet de laatste regel van dat lied toch wel? “Loop ik met gesloten ogen naar het onbekende land!” Wij rijden met ons campertje naar dat toch al tamelijk bekende land, die waren er in de tijd toen Jacqueline van der Waals dit lied schreef nog niet, maar het gaat om die gesloten ogen, vol vertrouwen!
Mijn God, ik zou het zo graag doen zoals die kinderen, kúnnen zoals die kinderen:
met mijn handen samen, met en ogen dicht…
Niet alleen de vakantie, maar ook…